zondag 12 juli 2009

Zomerreces van Provinciale Staten

Op 10 juli is - na weer een lange PS-vergadering (samenvatting volgt nog) - het zomerreces van Provinciale Staten begonnen. Deze duurt tot half september.

Hoewel ik misschien incidenteel toch nog iets zal melden, gaat mijn weblog nu ook zomervakantie houden. Half september begin ik weer met het schrijven over de provinciale politiek.

Prettige zomervakantie allemaal!


Roy

woensdag 24 juni 2009

Regiovisie Westelijke Mijnstreek (commissievergadering FD 19 juni)

Afgelopen week kwam voor het eerst de Regiovisie Westelijke Mijnstreek aan de orde in de commissie Fysiek Domein. Vanuit onze fractie ben ik aangewezen als woordvoerder op dit dossier. De Regiovisie is een document (voor download van concept-versie, klik hier) dat is opgesteld door de gezamenlijke gemeenten uit de Westelijke Mijnstreek na uitvoerig overleg met alle mogelijke maatschappelijke organisaties, bedrijven en belangengroepen. De regio wil hiermee aangeven wat zij zelf ziet als de economische, maatschappelijke en sociale ontwikkelingsprioriteiten voor de komende jaren. Natuurlijk kost de uitvoering van de visie geld, veel geld zelfs (tussen 160 en 300 miljoen euro is de schatting), en de regio vraagt dan ook om een flinke financiele bijdrage van de provincie (oplopend tot zo'n 50 miljoen euro).

Het opstellen van een regioagenda past helemaal binnen de benadering die we als provinciale coalitie hebben gekozen: niet zozeer wij, maar de regio's zelf moeten aangeven waar zij op willen inzetten. Als men het daar over eens is, dan wil de provincie daarin ondersteunen. Diverse andere Limburgse regio's hebben inmiddels al een uitgewerkte en geaccordeerde Regiovisie. De visie van de Westelijke Mijnstreek bevindt zich nu in de zogeheten 'sonderende fase'. Dat komt erop neer dat alle regio-deelnemers aan de Regiovisie hun commentaren en opmerkingen kunnen maken op het concept-document. Dat is inmiddels gebeurd en die reacties zijn publiek beschikbaar (klik hier; kijk onderaan de pagina bij de 'nota van reacties' en de 'nota van wijzigingen'). Als Provinciale Staten konden wij afgelopen vrijdag onze mening geven.

Ik wil op mijn weblog eigenlijk uitvoerig stilstaan bij de Regiovisie, aangezien we als PvdA de visie wel ondersteunen, maar ook een aantal duidelijke verbeterpunten zien. Los daarvan zijn enkele van mijn opmerkingen tijdens de vergadering daarna ook door L1 gebruikt (voor radio-fragment klik hier). Vanwege werkverplichtingen lukt het op dit moment echter niet om er een uitgrbeider verhaal van te maken. Om toch te laten zien wat de PvdA-fractie heeft ingebracht, plaats ik hier (klik hier) alvast mijn uitgewerkte gespreksnotitie van de vergadering. Op een later moment zal ik deze nog uitschrijven naar een volledige tekst. Mocht de gespreksnotitie niet duidelijk zijn, neem dan even via email contact met mij op.

dinsdag 2 juni 2009

Provinciale Statenvergadering (28/29 mei)

De Statenvergadering van mei duurde twee dagen. Deze vergadering was voor PS feitelijk de belangrijkste van het jaar, omdat zowel de jaarstukken 2008 werden besproken, als ook de Voorjaarsnota 2009. Beide stukken maakten in de discussies wederom deel uit van de beschouwing over de afgelopen 2,5 jaar dat deze coalitie aan het werk is. De oppositie probeerde op grond van het feit dat er in 2008 boekhoudtechnisch een overschot van bijna 60 miljoen euro was, vooral een beeld te schetsen dat deze coalitie alleen maar plannen maakt, maar dat van daadwerkelijke uitvoering niets terecht komt. Als woordvoerders over de jaarstukken waren met name de discussies tussen mij en Jos van Rey over de kwaliteit, inhoud en juistheid van de jaarstukken behoorlijk fel (voor wie belangstelling heeft: op de website van de provincie staat de webcast van de vergadering: http://www.limburg.nl/statenvergadering/LiveUitzendingVergaderingPS_20090529.asp)

De oppositie baseerde zich met name op een onlangs verschenen rapport van de Zuidelijke Rekenkamer, waarin werd aangegeven dat de provincie “geen actueel, helder en toetsbaar beleidskader (heeft), waarin specifieke richtlijnen en criteria zijn opgenomen met betrekking tot (de mate van) onderbesteding.” Met andere woorden: er wordt volgens de Rekenkamer niet onderzocht wat de oorzaken van de onderbesteding in een bepaald jaar zijn. Aan de andere kant stelt de Rekenkamer dat er wel heldere en actuele richtlijnen bestaan over de melding en verantwoording van afwijkingen van de geraamde lasten en baten. De Rekenkamer komt op basis daarvan tot de conclusie dat Provinciale Staten wel veel stukken krijgt aangeleverd, maar dat desondanks geen sprake is van een toetsbaar beleidskader (m.b.t. die richtlijnen en criteria) waarmee PS haar budgetrecht kan uitoefenen. Uiteindelijk zegt de Rekenkamer dat zij ook zelf die inhoudelijke toetsing waarom er in 2008 sprake is van een onderbesteding, niet heeft kunnen doen.
De oppositie dacht met deze uitspraken een flinke stok te hebben om de coalitie mee te slaan. Daarnaast had de VVD - met name Jos van Rey - ook nog een paar appeltjes met de coalitie te schillen en kwam met een lijstje van vermeende misstanden en fouten, waarbij van Rey vooral gouverneur Frissen aanviel. De aantijgingen van de oppositie gaven weer eens duidelijk blijk dat men de structureel andere werkwijze van deze coalitie niet begreep en wilde begrijpen. Om te beginnen met de opmerkingen van de Rekenkamer:

  1. Het feit dat Limburg geen concrete richtlijnen heeft voor het vaststellen van onderbestedingen op het moment dat deze zich voordoen, is niet nieuw. Geen enkele provincie heeft dergelijke richtlijnen en ook het Rijk heeft die niet. De Rekenkamer onderkent dit ook. De enige oplossing hiervoor is dat er landelijk geldende richtlijnen worden ontworpen, zodat ook altijd de mogelijkheid bestaat om provincies onderling te vergelijken. Als iedere provincie zijn eigen richtlijnen gaat bedenken, dan worden snel appels met peren vergeleken en zijn de conclusies navenant. Het antwoord voor deze problematiek ligt dus bij het Rijk. Als provincie Limburg moeten we het op dit moment doen met wat we hebben.
  2. De Rekenkamer geeft zelf aan de oorzaken voor de onderbesteding niet te kunnen onderzoeken, omdat zij zelf erkent dat de gevolgde werkwijze in deze coalitieperiode fundamenteel anders is dan die van de voorgaande coalities. Terzijde: ook in die vorige coalitieperiodes was er vrijwel ieder jaar sprake van een onderbesteding, maar daar maakte de VVD (die toen in de coalitie zat) toen nooit een punt van.

En wat is die fundamenteel andere werkwijze dan? PvdA en CDA willen in deze periode af van het alsmaar subsidiëren van activiteiten en meer toe naar investeren en participeren. In dat kader hebben we twee jaar geleden gekozen voor de ontwikkeling van een groot aantal beeldbepalende projecten die de werkgelegenheid, de openbare ruimte, het landschap, en de innovatie structureel zullen ondersteunen. We wilden dus af van jaarlijkse potjes met geld die in datzelfde jaar uitgegeven moeten worden. We willen toe naar projecten die goed zijn opgezet, de ondersteuning hebben van alle betrokkenen en waar andere partijen in mee investeren. Nota bene in ons coalitieakkoord hebben we duidelijk opgeschreven dat veel van die projecten pas in het derde en vierde jaar echt tot uitvoering komen, omdat veel tijd geïnvesteerd moet worden in de opzet, de planning, de samenwerking met derden, de vergunningsprocedures etc. etc. De ontwikkeling van deze projecten en de kosten die gemaakt worden lopen dus niet lineair op jaarbasis.
Met het bovenstaande in gedachte moet tegelijkertijd rekening worden gehouden met het feit dat de inkomsten van de provincie wel lineair op jaarbasis binnenkomen. Het gevolg is dat je – als het grootste deel van de kosten van de projecten vallen in de uitvoeringsjaren – de eerste paar jaar telkens een ‘papieren’ onderbesteding hebt die je wegzet in het zogeheten provinciaal investeringsfonds. Dat geldt dus ook voor de boekhoudkundige onderbesteding van 60 miljoen euro voor 2008. Echter, dit is dus geen onderbesteding in de traditionele zin van het woord, maar al strak geoormerkt geld voor de financiering van de uitvoeringsfase van de beeldbepalende projecten.
De oppositiepartijen wilden hier niet aan. In hun ogen is een onderbesteding in enig jaar een uiting van beloftes die niet zijn uitgevoerd. Met name de VVD zag in het gevoerde begrotingsbeleid een samenzwering van de coalitie om een veelheid van fouten te verdoezelen. Hij kon echter geen substantiële fouten aantonen en het bleef bij veel publiekelijk vertoon van ongenoegen en nadruk op “meer controlemogelijkheden voor PS”. In een reactie gaf de PvdA aan dat tot nu Van Rey behoorlijk rekkelijk gebruik maakt van het begrip controle. Zou het niet goed zijn als hij zelf met een initiatiefvoorstel kwam waarin duidelijk omlijnd is wat controle wel en niet inhoudt? Dat zouden we namelijk allemaal weten waar hij precies over praat. Zoals verwacht gaf de VVD’er op dit punt niet thuis. Een initiatiefvoorstel zou hem namelijk de kans ontnemen om ook in toekomst alle coalitie-initiatieven onder het motto van “geen controlemogelijkheid voor PS” als slecht te bestempelen. De jaarstukken 2008 werden uiteindelijk aangenomen.

Na de jaarstuken kwam de Voorjaarsnota 2009 aan de beurt. Als fractie hebben we gezamenlijk aan onze visie gewerkt, waarop fractievoorzitter Peter van Dijk deze presenteerde en verdedigde. Onze belangrijkste doelstelling is om - in het kader van de bestrijding van de gevolgen van de economische recessie - de provincie aan te zetten om 'schop-klare projecten' in deze provincie met een flinke financiele bijdrage aan te zetten om nu zo snel mogelijk te beginnen. Op dit moment liggen er nog veel te veel infrastructuurprojecten klaar op de plank die nu niet uitgevoerd kunnen worden omdat bijvoorbeeld de initiatiefnemers door de bankencrisis plotseling de financiele lening niet meer rond kunnen krijgen of omdat het projectrendement nu even te laag ligt. Een financiele steun in de rug zorgt ervoor dat projecten alsnog meteen kunnen beginnen, waardoor waardevolle arbeidsplaatsen behouden kunnen worden. Ons initiatief is gebaseerd op een soortgelijk initiatief van de Europese Commissie, die op die manier in 1 jaar 4 miljard euro extra in de Europese economie pompt. De presentatie van Peter van Dijk staat hier.

Tenslotte nog even een ander onderwerp dat tijdens de vergadering aan de orde kwam: de oprichting van de zogeheten Limburgse Herstructureringsmaatschappij voor Bedrijventerreinen. Misschien geen spannend onderwerp, maar wel een belangrijk onderwerp dat eerder in de Staten voor heel wat discussie heeft gezorgd.
De provincie wil tot 2020 circa 1.000 hectare verouderde bedrijventerreinen herstructureren. In februari 2009 is hiervoor door Provinciale Staten 10 miljoen euro beschikbaar gesteld. De verwachting is dat alle herstructureringen samen de provincie zo’n 30 miljoen euro zal gaan kosten.
Herstructureren betekent in dit verband de eenmalige aanpassing van terreinen aan de moderne eisen. Structureel parkmanagement is een voorwaarde voor iedere herstructurering.
Om de gestelde taken per oktober 2009 te kunnen uitvoeren, wil Gedeputeerde Staten een joint venture (JV) oprichten samen met het LIOF. De JV heet dan Limburgse Herstructureringsmaatschappij voor Bedrijventerreinen BV (BHV). Daarin neemt de provincie dan voor 60% deel en het LIOF voor 40%, waarbij de provincie bij de start al 2 miljoen euro in de kas stort. De rest volgt op afroepbasis. Ook het bedrijfsleven wordt geacht een deel bij te dragen, maar dat ligt in de huidige economische situatie moeilijk.
De herstructurering kost geld en zal – aldus GS - per saldo niet winstgevend zijn. Als PvdA hebben we hier vragen bij gesteld, aangezien het LIOF, vanuit haar statuten, alleen in projecten kan participeren die gebaseerd zijn op een goed bedrijfsplan met uitzicht op een positief rendement. De uitspraak van GS zou dus inhouden, dat de middelen die het LIOF in BHV stopt, dus minder vaak ingezet kunnen worden. GS verwachten zelf dat ongeveer 50% van de ingezette middelen door BHV weer terugvloeien als opbrengsten. Die worden dan opnieuw ingezet totdat de pot van 10 miljoen euro leeg is.
Als PvdA zijn we akkoord gegaan met de oprichting en de structuur van de BHV onder de voorwaarde dat de provincie zich niet laat gebruiken als melkkoe voor bedrijventerreinen die ook op termijn niet rendabel te krijgen zijn. Herstructurering van bedrijventerreinen is geen doel op zich! Soms moet je de middelen ook durven gebruiken om bedrijven op een sterk verwaarloosd bedrijventerrein te verplaatsen om zodoende het bedrijventerrein echt te kunnen aanpakken en – waar mogelijk – een andere bestemming te geven. Met de toezegging dat de provincie heel nauwkeurig het bedrijfsplan van ieder terrein zal onderzoeken en een duidelijke afweging zal maken over de wenselijkheid van behoud van het bedrijventerrein (en dus de herstructurering), is onze fractie unaniem akkoord gegaan. Bovendien hebben we een motie van GroenLinks ondersteund, waarin GS werd opgroepen om in de herstructurering zoveel mogelijk te werken met duurzame energiebronnen.

maandag 27 april 2009

Voorkeurstracé Buitenring Parkstad moet anders!

Gedeputeerde Staten (GS) presenteerde afgelopen vrijdag tijdens de commissievergadering Fysiek Domein 10 alternatieve baanvakken voor het eerder vastgestelde Voorkeurstracé van de Buitenring. De alternatieven houden meer rekening met de vele ingediende wensen en bedenkingen van burgers, organisaties en gemeenten. De provincie wil nu namelijk zo snel mogelijk beginnen met de uitwerking (inpassing) van die Buitenring tussen Nuth en Kerkrade. De weg (2x2-baans) moet leiden tot een betere doorstroming van het verkeer in de Parkstadgemeenten en daarnaast zorgen voor economische ontwikkeling. De gedachte is dat bedrijvigheid aangelokt wordt door goede verbindingswegen. De Parkstadgemeenten zijn allemaal voor de aanleg van de Buitenring, die moet beginnen bij Nuth en eindigt bij Avantis. Daarbij dragen de gemeenten voor de helft bij in de kosten en de andere helft betaalt de provincie. Het is immers een provinciale weg.

Bij begin van de discussie kwam gedeputeerde Driessen alvast met de allernieuwste berekeningen over verwachte verkeersstromen op de Buitenring tot het jaar 2025. In die berekeningen zijn de allerlaatste bevolkingsgegevens, krimp- en vergrijzingscijfers meegenomen (ETIL-rapport). Ook is rekening gehouden – zo Driessen – met omliggende wegen zoals de nieuwe weg Born-B56n-N274 tot aan Brunssum. De cijfers geven aan dat ondanks krimp en vergrijzing de Buitenring noodzakelijk is in een 2x2-baansuitvoering. Als PvdA hebben we om de berekeningsdetails gevraagd, omdat we onder meer willen zien welke wijken langs de Buitenring bij de berekeningen zijn betrokken.

Los van de nut-noodzaakdiscussie waren voor ons als PvdA-fractie de verschillen tussen de alternatieve wegdelen en het eerder door GS vastgestelde Voorkeurstracé zo groot, dat we tot de conclusie kwamen dat het GS-Voorkeurstracé feitelijk volledig achterhaald is. De alternatieven blijken stuk voor stuk veel beter aan te sluiten op leefbaarheid, milieubehoud en duurzaamheid dan de originele weg. Vrijwel op alle onderdelen zijn de eerder ingediende kritiekpunten weggenomen.Verantwoordelijk daarvoor is een gespecialiseerd bedrijf uit Schinnen, dat duidelijk beter de weg weet in dit zuidoostelijk deel van Limburg dan de externe deskundigen die het Voorkeurstracé hadden bedacht.
Het nadeel van de alternatieven is dat de Buitenring daarmee circa 50 miljoen euro duurder uitvalt dan het Voorkeurstracé. De vraag tijdens de commissievergadering was of die aanpassingen nu gelden als ‘meerkosten’ of dat je eigenlijk geen vergelijk meer mag trekken met de oorspronkelijke plannen omdat die gewoonweg niet goed genoeg zijn. Die vraag is belangrijk, omdat in het contract tussen de provincie en de gemeenten staat dat de kosten voor het Voorkeurstracé gedeeld moeten worden, terwijl aanvullende wensen (i.c. de alternatieven) alleen voor rekening komen voor de gemeente die erom vraagt.
Nu is er al overleg geweest tussen de provincie en de Parkstad. Volgens gedeputeerde Ger Driessen staan alle gemeenten inhoudelijk positief tegenover de alternatieve wegdelen, maar hebben zij meteen aangegeven dat ze er geen geld voor hebben. Gedeputeerde Driessen was in de vergadering dan ook heel duidelijk: “Ik heb alleen mandaat voor een doelmatige en sober uitgevoerde weg. Dat is het GS-Voorkeurstracé. Als de Parkstadgemeenten niet kunnen of willen betalen, dan blijf ik bij dit tracé, ook al zie ik ook dat een aantal alternatieven een duidelijke verbetering voor de omgeving en het milieu zou betekenen”.

Op dit punt hebben wij als PvdA de zaak omgedraaid: voor ons bestaat het door GS vastgestelde Voorkeurstracé vanaf nu niet meer. De gepresenteerde alternatieven zijn wat ons betreft nu het nieuwe Voorkeurstracé. In die redenering gelden de aanpassingen dus ook niet meer als ‘meerkosten’ voor de gemeenten, maar moeten de totale kosten van de nieuwe weg door provincie en Parkstadgemeenten gedeeld worden. ‘Samen trap op – samen trap af’. Wij vinden dan ook dat GS officieel het GS-Voorkeurstracé moet wijzigen en op basis daarvan met de gemeenten moet overleggen hoe de kosten verdeeld moeten worden. Dat zou – wat ons betreft – niet op gemeenteniveau moeten gebeuren, maar op het niveau van de Parkstad als geheel. Immers, de weg is bedoeld voor iedereen uit de Parkstad. Samen met de gemeenten moeten GS objectieve criteria vaststellen waarmee gemeten kan worden wat iedere gemeente – met ieder zijn eigen financiële beperkingen –aan de nieuwe weg kan bijdragen. Aansluitend moet Driessen maar bij Provinciale Staten terugkomen om te bespreken op welke manier een eventueel resterend gat in de begroting van de Buitenring gedekt kan worden.

De PvdA-fractie is in ieder geval duidelijk: de Buitenring wordt aangelegd voor een periode van 50-100 jaar. Dat betekent dat je nu moet gaan voor de beste oplossing en niet voor een oplossing waarmee je je kleinkinderen later niet meer onder ogen durft te komen.

maandag 20 april 2009

Limburg wil aandelen Essent verkopen

De Statenvergadering had deze keer het karakter van een marathonzitting. Op zich niets mis mee, want op de agenda stond de goedkeuring of afwijzing van Provinciale Staten van de verkoop van de provinciale Essentaandelen aan het Duitse energiebedrijf RWE. Anderzijds was de discussie in de Statenzaal, met de VVD, de SP en Groenlinks voorop, een herhaling van zetten van eerdere vergaderingen, waarbij de SP vooral bezig was met volksverlakkerij door te stellen dat Essent nu ook nog een nutsbedrijf is en dat we met ons huidige aandeelhouderschap goed in staat zouden zijn om het beleid van het energiebedrijf op het gebied van duurzaamheid, investeringen en personeelsbeleid mee te bepalen. Beide zaken zijn volstrekt niet waar. Zoals ik in het voorgaande artikel al heb geschreven, de provincie is als Essentaandeelhouder niets meer dan zegeltjesplakker zonder enige invloed op het operationele beleid van dit commerciele bedrijf.
De VVD kwam vooral met bezwaren over het vermeende slechte imago van RWE op het gebied van duurzaamheid en milieu en wierp zich daarmee op als de nieuwe partij-in de-dop "GroenRechts". Men verweet Gedeputeerde Staten vooral dat deze - naar hun mening - niets had gezegd over de toekomstige bruinkolenafgraving van RWE. Verbazingwekkend eigenlijk, want als de VVD de afgelopen jaren ook maar enige moeite had gedaan om de politiek van buurland NordRhein-Westfalen te volgen, dan had men geweten dat na 15 jaar van onderhandelen en procederen circa 10 jaar geleden door de Bondsregening een positief besluit is genomen over de vergunningen voor afgravingen in Garzweiler II. Gedeputeerde Staten heeft deze informatie niet achtergehouden, want de bruinkolenafgravingen staan gewoon vermeld in de stukken (specifiek: de stukken die door RWE zelf zijn aangeleverd in het kader van hun duurzaamheidsrapport). RWE heeft een gigantisch verzorgingsgebied en zolang er geen alternatieven zijn die op die schaal energie kunnen produceren, kan RWE niets anders doen dan verder gebruik maken van bruinkool als brandstof. Los hiervan wil het bedrijf juist ook inzetten op bruinkolenvergassing en dat belooft een hele schone technologie te worden die verhoudingsgewijs heel weinig CO2 uitstoot.
Uiteindelijk ging een meerderheid van de Staten akkoord met de geplande verkoop van aandelen door de provincie Limburg. Nu maar afwachten wat men in de overige provincies en gemeenten gaat besluiten...

vrijdag 10 april 2009

Sporting Limburg: provincie houdt haar rug recht

Gisteravond viel ik van de ene verbazing in de andere bij het kijken naar een discussieprogramma op L1 met Roda JC-voorzitter Van Eijndhoven en interim Fortuna-directeur Erkens. In een tijdsbestek van 15 minuten werd voor mij duidelijk hoe amateuristisch het proces tot nu toe vanuit de beide clubs en de Stuurgroep is aangestuurd. Met name het punt dat Van Eijndhoven tot drie maal toe zei dat hij vond dat de provincie “materieel gezien ondersteuning heeft toegezegd” schiet bij mij in het verkeerde keelgat. Volgens mij hebben hij en zijn collega’s (waaronder ook Stuurgroeplid Vergoossen) de twee basisprincipes van ondernemen duidelijk niet begrepen.

Principe 1: Verkoop de huid niet voordat de beer ook echt geschoten is! Als clubs nieuwe spelers contracteren dan komen ze daar toch ook pas mee naar buiten op het moment dat de handtekening onder het contract droog is?! Dat is hier toch niet anders?!

Principe 2: voordat je je beroept op een afspraak, onderzoek eerst eens of de tegenpartij in deze ook echt ‘tekeningsbevoegd’ is. Als ik in mijn werk een contract met een andere partij afsluit, kijk ik eerst op de website van de Kamer van Koophandel of en tot welke hoogte die persoon ook echt mag beslissen en tekenen. Zonder de juiste handtekening is een afspraak of contract niets waard.

In dit geval heeft de Gouverneur heel goed werk geleverd in het bijeen brengen van partijen, maar bij mijn weten heeft hij telkens duidelijk gezegd dat niet hij beslist over een ondersteuning van 6-8 miljoen euro, maar Provinciale Staten. Hebben de clubs of de Stuurgroep de moeite genomen om vooraf eens met de politieke partijen in PS te praten en te sonderen hoe men daar tegenover het voornemen stond? Nee. Als de Stuurgroep en de clubs de opmerkingen van de gouverneur geïnterpreteerd hebben als: “jongens, ik regel het wel eventjes”, dan is dat een probleem van de Stuurgroep en niet van de gouverneur of PS. De opmerkingen van Van Eijndhoven laten bij mij het nare gevoel achter dat hij er (nog steeds) van uit gaat dat we in de Vriendenrepubliek van weleer zijn blijven steken. Voor de duidelijkheid: dat is dus niet zo! Het 'Zwarte Pieten' dat Erkens, Van Eijndhoven en Vergoossen gisteravond speelden richting de provincie kwam op mij in ieder geval over als verongelijkte jongetjes die dachten dat ze wel de baas waren op het schoolplein en er nu achter gekomen zijn dat niet zij, maar de meester (in dit geval: PS) uiteindelijk de gedragsregels bepaalt.

Ik ben ook blij dat onze gedeputeerden besloten hebben helemaal geen voorstel aan PS voor te leggen, want ook dat getuigt van een transparante en duidelijke lijn die ver afstaat van de oude Vriendenrepubliek. Wat hadden de clubs en de Stuurgroep namelijk bedacht ten aanzien van de schuldenlast van Fortuna? Juist: een sterfhuisconstructie waar de schuldeisers eenzaam achter zouden blijven, terwijl de clubs met onschuldige en frisse blik hun balletje gingen trappen. Een meer dan bedenkelijke boekhoudkundige truc, wat mij betreft. Wie zouden in die sterfhuisconstructie onder meer zijn achtergebleven? Precies: de gemeente Sittard-Geleen met een vordering van meer dan twee miljoen euro. Met andere woorden: de belastingbetaler van Sittard-Geleen zou – ondanks alle eerdere beloftes van de gemeentepolitiek – alsnog voor deze verkapte schuldsanering zijn opgedraaid. Gelukkig heeft de PvdA van Sittard-Geleen haar verkiezingsbelofte ("geen verdere financiele ondersteuning van Fortuna) gehouden en wordt er door de stad niet meegewerkt aan de zoveelste kwijtschelding. Ik verwachtte van de provincie niet anders. Waarvan acte!

donderdag 9 april 2009

Essent en de verkoop van aandelen: beslissing valt snel

De discussie over wel/niet verkopen van de Essentaandelen nadert zijn afronding. Eerder deze week kregen we een toelichting van adviesbureau Arthur D Little over hun ‘contra-expertise’ op het advies dat eerder door andere bureaus was gegeven aan de Essent-aandeelhouders. Dat zijn voor een belangrijk deel de provincies en gemeenten. Niet de provincies en gemeenten in het westen van het land overigens, want toen Nederland zo’n anderhalve eeuw geleden geëlektrificeerd werd, kreeg ‘de Randstad’ dit betaald door het Rijk, terwijl er voor de randprovincies en –gemeenten geen geld meer was. Deze hebben het toen maar zelf opgeknapt en eigen nutsbedrijven opgericht. Die nutsbedrijven zijn uiteindelijk omgezet in zelfstandig functionerende particuliere bedrijven waar de aandeelhouders niets anders zijn dan dat: gewone aandeelhouders.Daarmee is de invloed die de aandeelhouders hebben op het dagelijks beleid, bijvoorbeeld op het gebied van duurzame investeringen, ook meteen duidelijk. Die invloed is er namelijk niet. Zoals bij al die andere aandeelhouders van andere bedrijven ook het geval is: het dagelijks bestuur van Essent bepaalt de koers en de aandeelhouders zijn eigenlijk niet meer of minder dan ‘zegeltjesplakkers’. Enkele keren per jaar hebben de aandeelhouders wel de kans om hun mening kenbaar te maken, maar daar is het ondernemingsbestuur niet aan gehouden. Zo is dat nu eenmaal geregeld in Nederland.

Terug naar de verkoopdiscussie.
De contra-expertise was expliciet aangevraagd door de oppositiepartijen die het professionele advies van de adviserende banken en advocatenkantoren aan de aandeelhouders (de provincie dus!) niet geloofden. Arthur D. Little werd gekozen omdat zij konden bevestigen geen enkele band of belang te hebben (of te hebben gehad) met enige partij in deze discussie. Het kantoor heeft geheel onafhankelijk zijn werk gedaan en tot in details de voordelen, nadelen en risico’s van de verkoop en de mogelijke gevolgen voor de Nederlandse consument in kaart gebracht. De teleurstelling was dan ook groot bij de VVD, SP en GroenLinks toen afgelopen dinsdag de adviseurs van dit bureau onomwonden uitspraken dat niet alleen het eerder door de anderen gegeven advies zeer zorgvuldig, objectief en betrouwbaar was opgesteld, maar bovendien dat volgens Little met het oog op de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de provincie waarschijnlijk geen beter moment meer zal komen om te verkopen. Met ‘maatschappelijke verantwoordelijkheid’ werd bedoeld dat de risico’s van een lagere opbrengst qua jaarlijks dividend en verkoopprijs de komende jaren sterk zou stijgen.

Maar waarom nou toch verkopen?

Ik las vandaag weer een commentaar in de krant dat het de provincie alleen maar gaat om het ‘graaien naar het grote geld’. Sorry, maar dat is echt onzin! Als we niet door de Tweede Kamer waren gedwongen tot splitsing van het bedrijf en als we met goed vertrouwen er vanuit zouden kunnen gaan dat de dividenden de komende jaren op hetzelfde peil zouden blijven, dan zaten we nu waarschijnlijk niet hier en werd er niks verkocht. Dat dividend maakt namelijk al vele jaren structureel onderdeel uit van onze begroting en bij veel gemeenten is dat ook het geval. We hebben dat dividend hard nodig. Als dat geld zou wegvallen, dan stijgen in ieder geval in veel plaatsen de gemeentebelastingen. Belangrijker is echter dat de artikelschrijver alleen gelijk zou hebben als we als provincie en gemeenten vervolgens de zogeheten hoofdsom (dus het verkoopbedrag) ook zouden uitgeven aan allerlei projectjes en projecten waarmee de politiek nu goede sier zou willen maken. Met andere woorden: we eten dan de koek stukje bij beetje op tot er niets meer over is. En precies dat gaat dus NIET gebeuren! In de Staten gaan we afspreken dat de hoofdsom intact blijft (bv. wegzetten via staatsobligaties) om – net als daarvoor met de dividendgelden – alleen de renteopbrengst te gebruiken voor de eigen begroting. Eigenlijk gaan we met de verkoop dus minder risico nemen, want voor het dividend ben je afhankelijk van de winst van Essent, terwijl we met bijvoorbeeld staatsobligaties het geld feitelijk vastzetten op een spaarrekening bij het Koninkrijk der Nederlanden.

Maar we hoeven toch niet te splitsen?
De afgelopen week kwamen er verhalen dat de Europese Commissie de splitsingsrichtlijn ongedaan zou hebben gemaakt en dat in andere landen niet gesplitst zou worden. Het gaat te ver om hier nu in detail op in te gaan, maar die verhalen kloppen volstrekt niet. De splitsingsrichtlijn is niet van tafel. Zoals al in 2007 afgesproken, zijn nu drie varianten van splitsing, maar ze komen er allemaal op neer dat de energiebedrijven operationeel gescheiden zijn in een netwerk en een productie/leveringsbedrijf. Verdere informatie is te vinden op: http://www.euractiv.com/en/energy/eu-strikes-deal-energy-market-liberalisation/article-180603en:http://ec.europa.eu/energy/gas_electricity/third_legislative_package_en.htm

Dit is toch puur neo-liberalisme en hoe zit dat met de kosten die RWE moet maken om Essent te kopen? Worden die dan niet afgewenteld op de Essentklanten?
Neo-liberalisme is wat ik als PvdAer in ieder geval niet wil hebben. Maar we doen er juist in de huidige situatie feitelijk gewoon aan mee. We zijn zegeltjesplakkers van een gewoon commercieel opererend bedrijf. We hebben geen invloed op de investeringsagenda van het bedrijf, we hebben geen invloed op de tarieven. We vangen alleen maar dividend. Dat is wat mij betreft niet de taak waar een overheidsorgaan zich mee moet bezighouden. Wij moeten ons als overheid vooral richten op het goed vastleggen van de randvoorwaarden waarbinnen bedrijven mogen werken. Dat laatste gaat zeker ook niet altijd goed, zoals de bankencrisis nu heeft aangetoond en daar moeten we van leren. Maar die situatie is verder werkelijk niet vergelijkbaar met deze situatie.

En wat de tarieven betreft: op het moment dat ik de tarieven van Essent (dan: RWE) te hoog vind, stap ik zonder aarzeling over naar een concurrent met betere tarieven. Dat marktmechanisme werkt in ieder geval en als veel mensen dat doen, dan merkt Essent vanzelf dat ze zich uit de markt prijzen. Daarnaast is de NMa de overheidsinstantie die erop moet toezien dat we ook in de toekomst voldoende marktpartijen hebben om te kunnen overstappen. Het is ook niet echt moeilijk om een eigen energiebedrijf te beginnen, want daarvoor hoef je geen eigen centrales te hebben. Het is al voldoende als je de stroom in het buitenland inkoopt en aangezien de provincies en gemeenten eigenaar zijn en blijven van het energietransportnetwerk, kun je als jong bedrijf al snel een eigen concurrerende positie opbouwen.Maar we zouden meer kunnen doen: prof. Hans Schenk van de universiteit Utrecht kwam vorige week tijdens een discussiepanel met de suggestie dat er tenminste 1 publieke energieaanbieder op de Nederlandse markt zou moeten blijven. Op die manier kunnen consumenten gemakkelijk en duidelijk de tarieven vergelijken. Mochten de particuliere aanbieders hun tarieven buitensporig verhogen, dan ontstaat er automatisch een correctie door de consumenten richting die overheidsaanbieder. Ik zie wel wat in die suggestie.

Maar hoe zit dat met duurzaamheid? RWE is toch erg vies?
Dat klopt. Als je de uitstoot van CO2 per eenheidenergie neemt, staat RWE redelijk onderaan de lijst van schone bedrijven. Hun uitstoot CO2 is bijna 2x zo hoog als die van Essent. Arthur D. Little gaf echter aan dat je voor een eerlijke discussie op dit punt ook de geschiedenis en de topografie mee moet laten wegen. Waarom hebben ze in Noorwegen veel waterkrachtenergie? Reden: omdat ze veel watervallen hebben. Waarom zijn wij in Nederland redelijk schoon? Reden: omdat we toevallig aardgas in de bodem hebben zitten. Dat aardgas wordt overigens snel minder en ECN heeft al aan de Tweede kamer geadviseerd dat men ook in Nederland weer de bruinkolen- en steenkolenvoorraden zou moeten meewegen bij het bepalen van de toekomstige leveringszekerheid. In Duitsland heeft men geen grote watervallen en ook vrijwel geen aardgas. Men heeft er wel bruinkolen. Het is dus ook niet raar dat de Duitsers daar op ingezet hebben en aangezien het om hele grote investeringen in centrales gaat, is het ook niet echt vreemd als men probeert die kosten er ook weer uit te halen. Dat gezegd hebbend: RWE heeft wel aangegeven vanaf nu jaarlijks heel erg veel geld (meeste van de Europese energiebedrijven) in duurzame energieopwekking te willen investeren. De aankoop van Essent is daar een onderdeel van, want Essent heeft veel kennis op het gebied van bijvoorbeeld biomassa. De activiteiten van Essent en RWE liggen stevig in elkaars verlengde en men kan snel van elkaar leren. samengevat: RWE komt van ver, maar wil snel verbeteren. Ik ben in ieder geval onder de indruk dat RWE als enige potentiele koper de garantie heeft afgegeven dat de investeringsagenda van Essent van 8 miljard euro in verbetering en vergroening van bestaande en nieuwe installaties gewoon zal worden uitgevoerd. En niet te vergeten: ook in Duitsland wonen consumenten die vinden dat hun energieleverancier snel veel groener moet worden. En daar is men bij RWE beslist gevoelig voor, lijkt mij.

En als we als provincie nou toch niet zouden verkopen? Wat gebeurt er dan?
De contra-expertise van bureau Little bevestigt in ieder geval dat we dan een groot risico lopen om jaarlijks steeds minder dividend te ontvangen en bij een eventuele latere verkoop veel minder voor onze aandelen krijgen. Dat betekent dus directe schade voor de Limburgse burger. Daar komt bij dat Essent de komende jaren vele honderden miljoenen euros moet steken in noodzakelijk onderhoud van bestaande centrales en in de uitbreiding richting duurzame energieopwekking. Dat geld kan alleen van de aandeelhouders komen en ik ben er niet voor dat onze provincie die kosten mee moet dragen. Wij hebben grotere prioriteiten op het gebied van jeugdzorg, gebiedsontwikkeling, versterking van de economische bedrijvigheid, cultuur en noem maar op. Maar stel dat alleen wij als provincie niet zouden verkopen en de andere aandeelhouders wel. Dan bestaat de kans dat wij niet RWE-aandelen krijgen voor onze Essentaandelen, maar dat we gewoon Essentaandelen houden. Als RWE dan zou besluiten om Essentwinsten over te hevelen naar het moederbedrijf, dan krijgen wij gewoon helemaal geen dividend. Zouden we dan alsnog willen verkopen, dan begint het onderhandelingsproces weer helemaal opnieuw, maar zitten wij wel in een veel ongunstigere onderhandelingspositie.

Op 17 april valt het besluit in Provinciale Staten. Ik ben voor verkoop van de Essentaandelen.

maandag 6 april 2009

Provinciale Statenvergadering (3 april)

Voor het eerst was ik tijdens een Provinciale Statenvergadering met mijn stem voor een motie van GroenLinks een dissident binnen mijn eigen fractie. En dat – nota bene – op een onderwerp waarop ik zelf namens de fractie ook nog woordvoerder was.
Het ging om de verlening van een behoorlijke garantie op een initiatief van het bedrijf Stella Aviation op de luchthaven Maastricht. Achtergrond van dit initiatief is het eerdere stopzetten door KLM van de lijnverbinding tussen Maastricht en de Randstad een paar maanden geleden. Het vertrek van KLM werd in de provincie als een groot verlies gezien: bedrijven zouden nu minder geneigd zijn om zich in Limburg te komen vestigen en de grote Limburgse bedrijven hadden aangegeven dat het ontbreken van deze lijndienst wat hen betreft een verzwakking van de economische structuur van Limburg betekende.
Stella Aviation, een dochterbedrijf van de Stella Groep en al lang actief op de luchthaven MAA met opleidingen van toekomstige piloten en onderhoud van vliegtuigen, wil nu deze lijn wel oppakken en twee keer per dag op en neer vliegen. Vrijwel alle grote bedrijven in Limburg hebben steun betuigd aan Stella Aviation, maar op hun vraag of men ook de koop van een X-aantal tickets per jaar wilde garanderen, kwam van iedereen een duidelijk: nee. Ook deelname van het Limburgse bedrijfsleven in dit door hen eerder als zo belangrijk bestempeld initiatief, kwam er niet.
Na uitvoerige bestudering van het bedrijfsplan en het voorstel van GS, om voor 300 duizend euro garant te gaan staan indien Stella verlies zou lijden, was mijn conclusie dat:

  1. Stella Aviation deel uitmaakt van een grote en financieel gezonde groep en dat die groep zelf ook niet garant wil staan (of via hen een bankgarantie wilde regelen).
  2. De investering die Stella Aviation zelf doet in dit initiatief in geen verhouding stond ten opzichte van de provinciale garantiestelling. Met andere woorden: ik ben van mening dat het hier gaat om een normaal ondernemersrisico dat nu echter voor een belangrijk deel door de provincie wordt gedekt. Als ondernemer zou ik dit ook zo geprobeerd hebben te regelen, maar vanuit de verantwoordelijkheid van het publieke belang wil ik op zijn minst zien dat het eigen risico van de ondernemer duidelijk aanwezig is.
  3. Het Limburgse bedrijfsleven wel eerder riep dat dit voor hen een cruciale verbinding is, maar dat men tegelijkertijd niet kon/wilde aangeven hoeveel tickets men op jaarbasis denkt te kopen, laat staan dat deze worden gegarandeerd. Met andere woorden: zonder de garantie zou veel duidelijker worden of de Limburgse bedrijven de lijndienst echt zo nodig hebben en ook bereid zijn het noodzakelijke aantal tickets te kopen dat nodig is om dit initiatief tot een commercieel succes te maken.
  4. De provincie als politiek besluitvormingsorgaan niet de instantie moet zijn die beslist of/welke individuele bedrijven gered moeten worden. Daarvoor hebben we een uitstekend orgaan – LIOF geheten – waar mensen zitten die met kennis van zaken kunnen beoordelen of in een commercieel initiatief geparticipeerd zou moeten worden of niet. LIOF is weliswaar een van de deelnemers in dit initiatief van Stella Aviation, maar ondanks het mandaat dat ze hebben, was/is men daar slechts bereid tot een zeer beperkte deelname.
  5. Stella Aviation weet precies wat men aan klanten kan verwachten, omdat er gegevens van tientallen jaren aan lijndienstvluchten door de KLM beschikbaar zijn. Je kunt met redelijk grote mate van zekerheid inschatten wat de passagiersaantallen zullen zijn en daar de dienstverlening op afstemmen.

Mijn fractie kwam – aanvankelijk unaniem met uitzondering van mijzelf en later met nog 1 tegenstem - tot de conclusie dat we in de huidige economische tijd geen risico mogen lopen dat een bedrijf van buiten Limburg het ontbreken van een directe luchtverbinding naar Schiphol als reden aangrijpt om zich niet hier te komen vestigen. Omdat ik niet voor de verantwoordelijkheid wegloop, heb ik dit standpunt ook in de PS-vergadering zo naar voren gebracht. Omdat ik duidelijk had aangegeven dat het een meerderheidsstandpunt binnen de fractie betrof, was te verwachten dat de verzamelde oppositie hier even een ‘feestje’ van wilde maken. Ze stonden dan ook allemaal op rij om even verhaal te halen: Wie was tegen? Waarom is dit standpunt anders dan nog door mij gezegd tijdens de eerdere behandeling in de commissie Economisch Domein? Wat was mijn eigen mening? Terechte vragen. Het duurde wel even totdat ook Kees Schröer van GroenLinks eindelijk begreep dat het primaire doel van een politieke commissievergadering is om een initieel standpunt van de eigen fractie via discussie en vragenstellen te toetsen aan de meningen van andere fracties. Daarna ga je als woordvoerder terug naar de eigen fractie en pas dan wordt een definitief standpunt bepaald. In veel gevallen blijft het standpunt hetzelfde of zijn er marginale aanpassingen, maar soms ook niet. Ook Schröer zal moeten leren dat in een grotere fractie meer overleg nodig is dan in zijn eigen 2-persoonsclub, waar blijkbaar standpunten al in steen gehouwen zijn op het moment dat de vergaderstukken voor het eerst in de brievenbus vallen.
Het grootste deel van de vergaderdag werd echter opgeslokt door een verkapt interpellatiedebat over de aanstaande fusie tussen Fortuna en Roda JC. Inzet was het idee van de oppositie dat gouverneur Frissen uit naam van GS al vaste toezeggingen had gedaan over een financiële ondersteuning door de provincie van ergens tussen de 6 en 8 miljoen euro. Daan Prevoo van de SP probeerde ook de fractievoorzitters van PvdA en CDA in het complot te betrekken om meteen maar de conclusie te trekken dat hier sprake was van vuil spel: Provinciale Staten was buiten alle besluitvorming gehouden, was zijn stelling. Hij kwam zelfs met verklaringen van mensen die dit allemaal ook wel 'en publique' nog eens wilden bevestigen. Laten die mensen nou net zijn eigen partijgenoten zijn…

Als PvdA-fractie waren we duidelijk: er is niks besloten en er wordt niks besloten totdat er een officieel en schriftelijk voorstel op tafel ligt van Gedeputeerde Staten. Daarin moeten zij maar aangeven of en hoeveel ondersteuning de provincie zou moeten geven om de nieuwe voetbalclub van de grond te krijgen. Pas dan komt er van ons een standpunt en niet eerder! Persoonlijk ben ik in ieder geval zeer tevreden dat de PvdA-fractie in Sittard-Geleen geen cent wil geven voor de schuldsanering van Fortuna. Dat hebben we in het verleden al meerdere keren gedaan en nooit bleek het genoeg. Voor de vorige gemeenteraadsverkiezingen hebben we (ik was ook deel van de commissie die het verkiezingsprogramma schreef) duidelijk aangegeven dat we hier niet meer aan zouden meewerken. Ik ben blij dat de fractie in Sittard-Geleen die verkiezingsbelofte nu heeft ingelost.

donderdag 2 april 2009

Radiodebat op L1 over een cheque van jaarlijks 56 miljoen… (29 maart)

Voor de tweede keer ben ik uitgenodigd voor het L1 radiodebat ‘De Stemming’ op zondagochtend. Tegenover mij staat de SP-fractievoorzitter in Provinciale Staten Thijs Coppes. Het gaat over het advies dat de zogeheten Raad voor de Financiële Verhoudingen net de week ervoor aan het Kabinet heeft gegeven. In dat advies staat dat vrijwel alle provincies jaarlijks teveel geld hebben en dat er best een flink stuk van dat overschot afgeroomd zou mogen worden ten gunste van de Rijkskas. In totaal gaat het om een bedrag van 597 miljoen euro op jaarbasis. Ter verduidelijking: de provincies hebben in totaal drie inkomstenbronnen, te weten een bijdrage van het Rijk via het Provinciefonds, de eigen belastingheffing (opcenten motorrijtuigenbelasting) en overige inkomsten, zoals in Limburg de Essent-dividenden. De Raad had berekend dat de provincie Limburg jaarlijks 56 miljoen euro overheeft. Die 56 miljoen zou afgetrokken kunnen worden van het bedrag dat de provincie jaarlijks uit het Provinciefonds krijgt.
Opvallend was dat vooral de randprovincies volgens de Raad flink zouden moeten afdragen met als argument van de Raad dat ”de Randstad de meeste problemen heeft”. Waar die opmerking op gebaseerd is, valt nergens te lezen. Wel valt uit serieus onderzoek (ETIL) en diverse andere officiële adviezen aan het Kabinet te lezen dat de buitenprovincies, waaronder met name Limburg, door de economische recessie het zwaarst getroffen zullen worden. Limburg zal een flink hogere werkloosheid (3 procent hoger) hebben dan gemiddeld in Nederland en het zal – als de economie weer aantrekt - langer duren voordat Limburg er weer bovenop is. Enerzijds komt dat door de samenstelling van ons bedrijfsleven met daarin veel traditionele maakindustrie, maar anderzijds ook de samenstelling van onze beroepsbevolking die steeds verder verouderd en qua opleidingsniveau verhoudingsgewijs achter blijft lopen. Verder hebben we ook niet echt veel mogelijkheden voor expansie. We zitten immers op een klein stukje grond ingeklemd tussen België en Duitsland. Zolang er niet meer bevoegdheden vanuit de nationale overheden wordt overgedragen naar de regio’s om zelf wetgeving te kunnen maken die ertoe leidt dat grenswerkers makkelijker over de grens werken en hierdoor niet financieel ‘dubbel gepakt’ worden (ik ben zelf ook jarenlang grenswerker geweest en kan uit eigen ervaring hierover meepraten!), grensoverschrijdend onderwijs (bv. op MBO-niveau) beter op elkaar afgestemd kan worden en bedrijfjes minder gehinderd worden door dubbele regeltjes, zijn onze kansen om Limburg op eigen kracht uit het slop te trekken beperkt.

Thijs Coppes had een paar dagen voor het radiodebat openlijk verklaard er niets op tegen te hebben dat Limburg jaarlijks die 56 miljoen aan het Rijk zou afstaan, ook al was volstrekt niet duidelijk of er later nog iets van dit geld in Limburg besteed zou worden om de recessie en de werkloosheid aan te pakken. In zijn optiek heeft de provincie gewoon geld teveel en dan kan er door ons best wat worden bijgedragen aan bijvoorbeeld de financiering van de Noord-Zuid metrolijn in Amsterdam. Want daar gaat het uiteindelijk om: herverdeling van provinciaal geld naar projecten in de Randstad. En op dit punt komt ook weer de lopende Essentdiscussie om de hoek kijken: de Randstadprovincies hebben namelijk geen Essentaandelen en zien met afgunst “het grote geld” dat de buitenprovincies dreigen te krijgen. Onzin natuurlijk, want die buitenprovincies zijn alleen aandeelhouder van Essent geworden omdat zij zelf zo’n honderd jaar geleden nutsbedrijven moesten oprichten om de eigen provincies te elektrificeren. De Randstadprovincies hoefden dat destijds niet zelf te betalen, omdat het Rijk dat toen voor hen deed. Voor de buitenprovincies was er jammer genoeg geen geld meer.

In het debat heb ik Coppes allereerst voorgehouden dat zowel de Raad als hij blijkbaar niet beseffen, dat we twee jaar geleden een uitgebreid akkoord hebben afgesloten met het Rijk over een nieuwe taakverdeling. Heel wat taken die het Rijk eerst deed, doen wij nu. Het is dus niet zo dat wij ‘teveel geld krijgen’ voor zaken die we – aldus Coppus – “niet behoren te doen”. Bovendien betalen we ook nog flink mee aan taken die door de gemeentes worden uitgevoerd, dus als wij geld zouden moeten teruggeven aan het Rijk omdat wij oneigenlijke Rijkstaken zouden uitvoeren, dan moet ook even naar de provinciale bijdrage aan gemeentetaken worden gekeken. Die optelsom wil ik nog wel eens zien.
Los hiervan is het niet zo dat de provincie geld over heeft. In tegenstelling tot het Rijk mag een provincie geen structureel begrotingstekort hebben. Dat betekent dat voor iedere geplande activiteit – zoals het bouwen van een provinciale weg, de inrichting van een bedrijventerrein of de kosten van herstructurering van landelijk gebied – eerst geld gereserveerd moet worden. De jaarlijkse Essentdividenden staan dus ook niet lekker op een bankrekening niks te doen, maar worden ieder jaar ingezet om de begroting sluitend te krijgen. Wie onze provinciale politiek een beetje volgt, weet dat we op dit moment bezig zijn met de uitvoering van een flink aantal grote projecten en dat we daarnaast veel moeten investeren om de economische en maatschappelijke gevolgen (denk bijvoorbeeld aan: meer kosten voor de ziekenhuiszorg, meer bejaarden- en verzorgingstehuizen, meer voorzieningen etc) van de vergrijzing en de krimp in onze provincie tegen te gaan. Daar houden de Raad voor de Financiële Verhoudingen en Thijs Coppus van de SP duidelijk geen rekening mee. Dat we iedere cent nodig hebben om in deze tijden Limburgse bedrijven overeind te houden, arbeidsplaatsen te behouden, mensen extra opleidingen te bieden en werklozen naar ander werk te leiden, is voor de SP blijkbaar geen thema. Maar zelfs als we al geld over zouden hebben, dan zou ik nog liever zien dat we samen met het Rijk gezamenlijke projecten financieren die hier in Limburg een echte meerwaarde hebben, zoals de versnelde verbreding van de A2 (snelwegen zijn officieel een Rijkstaak). Zo niet de SP; Coppus en de zijnen betalen liever mee aan de Amsterdamse Noord-Zuidlijn. Van je Limburgse socialistische volksvertegenwoordigers moet je het maar hebben…!

zondag 22 maart 2009

Werkbezoek in Noord-Limburg: Scheuten Glas en Océ

Werkbezoeken zijn niet alleen interessant en een manier om weer even de ‘sfeer in het land’ te proeven. Zij zijn vaak ook heel motiverend voor het werk in de Staten. Zo bezochten we vorige week de bedrijven Scheuten Glas en Océ in Noord-Limburg. Voor mij staat Noord-Limburg toch vooral bekend als agrarisch gebied met veel kassen. Wat er verder nog gebeurt, valt – voor zover ik het kan zien – meestal weinig op. Als je dan bij een bedrijf als Scheuten komt en praat met directeur-eigenaar Jan Scheuten, dan merk je pas dat Noord-Limburg bruist van de innovatieve energie en kracht. Als ik daar een opmerking over maak, gaat Jan Scheuten meteen in op het ‘cultuurverschil’ tussen Noord- en Zuid-Limburg: “Wij praten niet zoveel. Daar zijn we te nuchter voor. We doen het gewoon, stapje voor stapje.” In een kleine presentatie laat de ondernemer even zien dat hij inmiddels twintig grote fabrieken heeft staan over de hele wereld. De nieuwste aanwinst is een glasoven in Oost-Duitsland met een investering van net gen 200 miljoen euro. Silicium produceren? In Zuid-Limburg heeft iedereen de mond vol van het Silicon Mine-project (TSM) dat op het Chemelotterrein zou moeten komen. Scheuten glas heeft al lang een grote siliciumfabriek. In de VS weliswaar. Jan Scheuten geeft meteen maar even aan waarom hij TSM eigenlijk achterhaald vindt: “Ja, er was een paar jaar geleden markt voor siliciumproductie. De vraag was groot en het aantal aanbieders piepklein. Maar zoals dat gaat in zo’n situatie: als jij een idee hebt, dan hebben over de hele wereld nog 50 anderen hetzelfde idee. In het geval van siliciumproductie zijn er nu inmiddels meer dan 25 initiatieven waar op dit moment al gebouwd wordt. De markt is alweer volkomen verzadigd. TSM loopt achter de feiten aan, want zelfs als de initiatiefnemers in staat zijn om de financiering rond te krijgen, dan duurt het nog jaren voordat die fabriek ook echt draait. Intussen zijn dan de prijzen fiks lager dan de verwachtingen waarop TSM nu zijn plannen baseert”.
Scheuten geeft zelf aan dat ook zijn bedrijf last zal krijgen van de economische recessie. Maar nu nog niet, bevestigt hij zelf. Hij geeft aan dat Scheuten Glas met zijn vlakglas voor de bouwindustrie vooral aan het eind van het bouwproces zit. Dan gaat het om gebouwen over de hele wereld waar nu al aan gebouwd wordt en die wel afgebouwd worden. “Onze orderportefeuille zit nu nog helemaal vol, maar we gaan het ook merken als het aantal nieuwbouwprojecten afneemt.” We hebben het nog even over het vinden van het juiste personeel. Jan Scheuten zit er niet mee: zijn bedrijf doet veel aan stages en weet zo jonge mensen binnen de poorten te krijgen. Ook scouten ze veel op universiteiten in binnen- en buitenland. Veel werknemers komen van Duitse universiteiten. Zij blijven aan de Duitse kant wonen. “Prima toch”, aldus Scheuten.

Bij Océ krijgen we uitleg van Harry Loozen. Loozen was vroeger directeur van de Kamer van Koophandel Limburg en nu namens de directie van Océ dé contactpersoon richting publiek en politiek. Ook hier ben ik weer onder de indruk van het Noord-Limburgse vernuft van dit wereldwijde bedrijf. Toen ik nog studeerde, stond ik bij de universiteit in Leiden menig uurtje achter grote Océ-kopieermachines. “Daar ligt nu voor ons een groeimarkt”, bevestigt Loozen. De Océ-copiers zijn zo goed dat ze ook na vele jaren en een revisiebeurtje weer als tweedehandsmachines worden verkocht. De kwaliteit is evengoed, aldus Loozen. Kort daarna gaat hij in op de effecten van de economische recessie op het bedrijf. Die zijn er natuurlijk wel, want in slechte tijden wordt al snel op de aanschaf van nieuwe machines bespaard. De inzet van Océ is echter op innovatie, liefst nog meer dan toch al het geval is. In navolging van DSM gaat Océ nu ook helemaal op de Open Campusgedachte: het terrein wordt in de toekomst opengegooid voor de vestiging van talloze nieuwe bedrijfjes die werken op het gebied van ‘digital imaging’, variërend van geavanceerde systemen voor documentbeheer tot beveiliging (RFIDs), productie van nieuwe generaties printplaatjes en ‘print-on-demand’. Stel je voor: je staat om 2 uur ’s middags op het perron te wachten op de trein en je wilt het laatste nieuws lezen. Niks geen Metro of Spits!, want dat nieuws is al uren oud. In plaats daarvan druk je op een knop op een terminal en: voila! Uit een Océ-printer rolt de nieuwste versie van de Volkskrant met nieuws dat nog geen uur oud is. Of misschien hou je wel van de ‘Capetown Gazette’? Over een tijdje zeker geen probleem meer in onze digitale tijd. Daar wil Océ heen. We krijgen ook even een demonstratie van de nieuwste bolletjes-kopieerder die pas nog groot in het nieuws was. Veel efficiënter, veel betere kleuren en op veel groter papier. De Mickey Mouse die op manshoogte uit het apparaat rolt spettert van het papier af. Petje af!

zondag 15 februari 2009

Vergadering Provinciale Staten (13 februari)

De bezoekersplaatsen achterin de Statenzaal zijn bijna allemaal gevuld met Noord-Limburgers. Ze komen kijken hoe PS vandaag zal stemmen over de geplande herindeling tussen Gennep-Bergen-Mook en Middelaar. De uitslag van de stemming gaat als advies naar de minister van Binnenlandse Zaken die er over enkele maanden een besluit over neemt. Er zitten geen verrassingen in de hoed: vrijwel de gehele Staten is voor de herindeling, ook al ziet de gemeente Bergen er zelf niet veel in. De gemeente draait immers op eigen kracht ook heel goed, dus hoezo 'meer bestuurskracht?', zeggen zij. Soms is het echter zo dat juist zo'n combinatie tot een zeer krachtige nieuwe gemeente kan leiden met veel elan en daadkracht. Ik wens de nieuwe gemeente in ieder geval heel veel succes!

Een tweede onderwerp betreft de geplande deelneming van de provincie in de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein op vliegveld MAA. In 2003 heeft Provinciale Staten in het POL het groene licht gegeven voor de aanleg er van op het vliegveld. Het aangewezen terrein (bruto-grootte 112 ha waarvan 54,6 ha voor bedrijven en de rest voor natuurcompensatie en infra) ligt op de plek waar oorspronkelijk de Oost-Westbaan zou komen. Het hebben van een of meerdere eigen bedrijventerreinen is belangrijk voor een luchthaven, omdat het zorgt voor een belangrijk deel van de inkomsten. Met de eigenlijke luchtvaartactiviteiten (starten, landen, onderhoud, passagiersfaciliteiten etc.) wordt vaak maar een relatief klein deel van de omzet gegenereerd. Dat is zo op Schiphol, maar ook bijvoorbeeld in Eindhoven en dus ook in Maastricht.
Sinds 2001 hebben diverse partijen samen een ontwikkelings- en bedrijfsplan voor een logistiek-
georienteerd bedrijventerrein opgesteld, ondersteund door een convenant tussen enkele overheden waaronder de gemeenten Maastricht, Meerssen en Beek. De tijden zijn echter wel veranderd: van de drie particuliere initiatiefnemers (Maastricht Aachen Airport, Dura Vermeer Ruimtelijke Ontwikkeling B.V. en Segro) heeft de laatste zich teruggetrokken en het lukt de overige twee niet om in de huidige economische situatie andere particuliere investeerders of zelfs maar banken erbij te betrekken. Om die reden kwam het vliegveld MAA tijdens de laatste Statenvergadering met het verzoek aan GS om actief in het project deel te nemen. Om precies te zijn: participeren met een deelneming van € 3,8 miljoen (40% aandeel) en een lening van € 9,5 miljoen.
De vraag aan PS was of zij daarmee akkoord gaan. In het debat heb ik gesteld dat voor ons herstructurering en opwaardering van bestaande bedrijventerreinen de voorkeur heeft. Los daarvan wil je als provincie in ieder geval het verschijnsel van ‘outcrowding’ van al bestaande bedrijventerreinen voorkomen. Je krijgt dan alleen een verplaatsing van bedrijven die je al binnen de provincie hebt, waarbij de bestaande terreinen feitelijk worden gedegradeerd en zelfs verrommelen/verloederen.
In het geval van vliegveld MAA ligt de situatie echter anders: het zijn veelal specifieke types bedrijven die zich in de buurt van een luchthaven willen vestigen. Logistiek is logisch, maar je ziet ook vaak high-tech ondernemingen die zichzelf graag identificeren met de dynamiek van de luchtvaart. Van gedeputeerde Driessen kregen we de garantie dat het bedrijventerrein expliciet bedoeld is voor logistieke bedrijven. Kantoorfuncties (anders dan een klein kantoor binnen een logistiek bedrijfsgebouw) worden uitgesloten. Dat voorkomt dat het nieuwe bedrijfsterrein nog eens extra druk zet op de al bestaande leegstand in de kantorenmarkt in Zuid-Limburg.
Belangrijk voor ons was ook dat een eventuele participatie (via een CV/BV-constructie) niet leidt tot concurrentie met het LIOF die immers ook bedrijventerreinen en bedrijfsgebouwen ontwikkelt en exploiteert. Driessen gaf aan dat er overleg was geweest met het LIOF en men daar geen probleem had met het voorstel dat nu bij PS ter tafel lag. Los van andere overwegingen zou het LIOF toch niet hebben geparticipeerd omdat het participatiebedrag hoger is dan zij aankan.
Voor ons als PvdA-fractie telde daarbij natuurlijk vooral ook dat met deze participatie de provincie echt werk maakt van haar nieuwe rol als anti-cyclische investeerder en er zo banen behouden dan wel gecreëerd worden.
Tijdens de discussie over het MAA bedrijventerrein probeerde de VVD via een motie de overige partijen te verleiden tot een krachtige uitspraak tegen de vliegtaks. Zij was er niet van te overtuigen dat de twee onderwerpen geen relatie met elkaar hebben. Dit, ondanks het feit dat het verzoek dat de VVD in haar motie deed (namelijk minister Eurlings vragen om bij een kostenanalyse voor Schiphol ook de positie van de regionale luchthavens te betrekken) ook onze steun had. Uiteindelijk ging alleen het CDA mee met de VVD in de veroordeling van de vliegtaks. Een door de PvdA opgestelde alternatieve motie (uitsluitend het verzoek aan de minister om regionale luchthavens te betrekken in het onderzoek naar kostenverlaging in de Nederlandse luchtvaart) kreeg daarop echter een veel grotere meerderheid, aangezien de VVD ook voor onze motie stemde.
Het debat kan ook via de navolgende link als webcast worden bekeken:
http://www.limburg.nl/statenvergadering/LiveUitzendingVergaderingPS_13_02_2009.asp
De spreektijden zijn: 4:53 (interruptie), 4:58 (spreker), 5:37 (spreker), 7:33 (interruptie).

Later op de dag gaat het debat ook kort over de manier waarop de provincie de gevolgen van de economische recessie bestrijdt. Normaal gesproken zouden we pas eind april een mid-term evaluatiedebat houden over wat tot nu toe vanuit het coalitieakkoord is bereikt. De crisis zorgt er echter voor dat er veel sneller en in veel grotere mate gehandeld moet worden dan oorspronkelijk gepland. De VVD roept om een nieuw 'deltaplan voor Limburg'. Onzin wat mij betreft! We hebben de Versnellingsagenda en we hebben het actieplan 'Koersvast' dat net een week voor de vergadering was gepresenteerd. Het Actieplan was opgesteld door een door gedeputeerde Vrehen in het leven geroepen werkgroep Koersvast waarin een aantal bekende en zeer ervaren mensen uit het Limburgse bedrijfsleven en de politiek zaten. Voor ons als PvdA zit Vrehen op de juiste koers. We stellen dan ook in het debat dat we vinden dat GS nu meer handelingsruimte moet krijgen om snel te kunnen optreden, in plaats ervan dat ze voor ieder puntje eerst moeten wachten tot de volgende Statenvergadering. We hebben vertrouwen in ons College en willen Vrehen vooral afrekenen op 'hoe hard hij uiteindelijk heeft gelopen'. Laten we vooral stoppen met het nu weer bedenken van nieuwe plannetjes, zoals de VVD wil. Vertragen, vertragen, lijkt het devies van de VVD te zijn.

zaterdag 17 januari 2009

Discussie rondom geplande verkoop van Essent

Sinds juni 2008 houden we ons in de commissie Economisch Domein bezig met de mogelijke verkoop van een onderdeel van Essent. Ik zeg bewust 'onderdeel', omdat dankzij een besluit van de Tweede Kamer twee jaar geleden alle Nederlandse energiebedrijven gesplitst moeten worden in een Netwerkbedrijf en een handels/productiebedrijf. Dit is gebeurd op grond van een Richtlijn van de EU uit 2005 die bedoeld is om de onderlinge concurrentie tussen energie-aanbieders te vergroten. Minister Van der Hoeven en de Tweede Kamer zijn in hun interpretatie van die Richtlijn echter veel verder (zeg maar: extremer) gegaan dan in de ons omringende landen. Onze Nederlandse Splitsingswet (die in de zomer 2009 definitief wordt besloten) zegt dat die splitsing tussen netwerk en handel/productie"volledig" en "onomkeerbaar" moet zijn. Dat is echter niet wat de Europese Richtlijn voorschrijft. De nu lopende discussie in de politiek en de media rondom de verkoop van Essent is een rechtstreeks gevolg van het besluit van de minister en de Kamer.

De provincie Limburg is al sinds jaar en dag mede-eigenaar van Essent. Dat komt nog voort uit de tijd dat het als nutsbedrijf onder overheidsbeheer viel. Als aandeelhouder (Essent is een NV) heeft de provincie net zoveel te zeggen over het dagelijkse werk van Essent als aandeelhouders in andere bedrijven: vrijwel niets. Ietwat gechargeerd gezegd kun je als aandeelhouder hooguit de directie naar huis sturen als je het niet met haar eens bent. Verder heb je als aandeelhouder alleen nog recht op een dividend. En dat dividend is bij Essent behoorlijk: varierend van circa 60 miljoen tot soms wel (incidenteel) 90 miljoen euro per jaar voor de provincie Limburg (16% aandeel). Dat geld vormt een structureel onderdeel van de provinciale begroting.

Alle aandeelhouders van Essent zijn overheden. Het betreft een aantal provincies en een honderdtal gemeenten, waaronder veel Limburgse gemeenten. In juni 2008 kwam de Essent-directie naar de aandeelhouders met de vraag of zij eventueel hun aandelen in de handels/productietak van Essent zouden willen verkopen. Het netwerkbedrijf, waar alle energieleidingen onder vallen, bleef uitdrukkelijk buiten schot, want er was eerder al politiekbreed (nationaal, provinciaal en gemeentelijk) consensus dat het energienetwerk altijd in handen van de overheid moeten blijven. Op die manier wordt gegarandeerd dat situaties als in Californie drie jaar geleden (massale energie-uitval doordat commerciele aanbieders te zwaar op het onderhoud van het netwerk bezuinigd hadden) hier niet kunnen voorkomen. Overigens is de scheiding tussen netwerkbedrijf en handels/productiebedrijf bij Essent al helemaal doorgevoerd. Twee maanden geleden kregen alle klanten al een brief van Essent met daarin de bevestiging van de splitsing. De naam van het netwerkbedrijf is Enexis. Daarmee staat de naam Essent dus nog alleen voor handel (internationaal kopen en verkopen van energie) en productie (beheer van enkele energiecentrales).

Essent heeft een aantal belangrijke argumenten voor een verkoop van de aandelen. De belangrijkste zijn:
  1. Energie wordt steeds duurder en de aanvoer steeds onzekerder. Los van het feit dat de belangrijkste energie-aanbieders (OPEC, Rusland, Venezuela en andere) stelselmatig hun prijzen opvoeren, kunnen onze Europese energiebedrijven er niet meer op aan dat ze ondanks langetermijnafspraken ook daadwerkelijk energie uit die landen krijgen. Het meest recente voorbeeld is de gascrisis 2008/2009, waar Oekraine de aanvoer van gas uit Rusland tijdelijk blokkeerde, met tot gevolg dat in sommige landen van Europa een acute aanvoercrisis ontstond. Wil je voorkomen dat je volledig van een of enkele aanbieders afhankelijk bent, moet je doen aan spreiding. Dat kost veel geld, want die energie komt dan vaak uit gebieden waar de winning erg moeilijk is. Gevolg: hoge inkoopprijzen. Dit kun je alleen compenseren door 'in het groot' in te kopen. Echter, Essent is hiervoor veel te klein. Ze heeft in haar eentje noch de markt, noch het geld om van de noodzakelijke 'groothandelsprijzen' te profiteren.
  2. Onderzoek en investeren in energie-opwekking kost steeds meer kapitaal. Dat geldt zowel voor de bouw en het onderhoud van traditionele kolen- en olie/gascentrales als ook voor onderzoek naar en investeringen in alternatieve en groene energie. Technische oplossingen zijn beschermd en eigendom van een paar spelers. Anderen kunnen daar niet aankomen of alleen tegen hoge licentiekosten die vervolgens ook weer middels tariefsverhogingen aan klanten terugverdiend moeten worden. Het gevolg is een steeds ongunstigere concurrentiepositie. Het alternatief is dat je deel uit gaat maken van een concern dat wel geld heeft om dit soort grootschalig onderzoek en investeringen te plegen.

Beide genoemde argumenten hebben te maken met de noodzaak tot schaalvergroting. Als de aandeelhouders niet zouden willen verkopen, kan Essent op termijn de concurrentiestrijd alleen volhouden als de huidige aandeelhouders extra in het bedrijf gaan investeren. En daarover zijn de aandeelhouders het eens: de provincies hebben ook andere belangrijke taken (denk aan: jeugdzorg, infrastructuur, economische ontwikkeling, ruimtelijke ordening) en het zou maatschappelijk onverantwoord zijn om nu grote sommen geld in de uitbreidingsstrategie van Essent te steken. Ten overvloede: een slechtere concurrentiepositie van Essent betekent op termijn dat het jaarlijkse dividend omlaag gaat. Aangezien het dividend vast onderdeel is van de provinciale begroting, komt dit erop neer dat er ook steeds minder geld beschikbaar zou zijn voor die andere maatschappelijke taken. Als PvdA-fractie moeten we dan ook het risico van verkoop van Essent afwegen tegenover mogelijk lagere dividenden en dus minder ruimte voor het betalen van al die zaken die we voor onze Limburgse burgers belangrijk vinden.

In juni 2008 hebben we als Provinciale Staten toestemming gegeven aan Essent om naar buitenlandse partijen te zoeken. Dit gebeurde nadat we een aantal alternatieven uitvoerig hebben onderzocht, waaronder de mogelijkheid tot een fusie met Nuon en de overname van aandelen door het Rijk. Geen van beide bleek mogelijk of haalbaar. We hebben de Essentdirectie toen een aantal criteria meegegeven die voor ons belangrijk zijn als toetsteen om ook echt te willen verkopen, waaronder criteria op het gebied van duurzaamheid en alternatieve energiewinning. Uiteindelijk is daar RWE uitgekomen. Persoonlijk vind ik dat geen verrassende keuze, omdat Essent voor haar eigen verdere ontwikkeling alleen gebaat is bij het samengaan met een bedrijf dat qua geografie, demografie, consumentenmarkt, technologie en werkwijze in haar verlengde ligt. Overname door een bedrijf dat ver afstaat van de dagelijkse praktijk van Essent, is een strategie die - naar mijn mening - te grote kans biedt op mislukking en daar heeft niemand wat aan. Het hoofdkantoor van RWE staat in Essen en het bedrijf heeft een grote energiecentrale op nog geen 30 km van Heerlen vandaan. Het bedrijf is het op een na grootste energiebedrijf in Duitsland en is ook actief in andere Europese landen, waaronder Engeland (eveneens een overname). RWE is ongeveer 10x zo groot als Essent.

De afgelopen dagen heeft de PvdA Tweede Kamerfractie, met Diedrick Samsom voorop, publiekelijk gezegd dat de verkoop aan RWE voorbarig is. Ik vind Samsom's argumenten twijfelachtig en ze geven volgens mij blijk van een behoorlijke informatieachterstand (wie hierover meer wil weten moet het fractiestandpunt op de gewestelijke website lezen. De link staat onderaan dit artikel). Het is jammer dat hij niet de moeite heeft genomen om zich vooraf goed te informeren zodat de misvattingen snel uit de weg geruimd hadden kunnen worden, want nu kan bij het grote publiek - en met name bij de klanten van Essent - onzekerheid ontstaan. Onzekerheid over de leveringszekerheid, over de prijzen, over de toekomst van de Essent arbeidsplaatsen of de toekomstige investeringen in groene energie. En dat was niet nodig. Erger nog vind ik dat Samsom met zijn actie de indruk wekt dat de gezamenlijke provincies, de eigen PvdA-gedeputeerden, Statenleden, wethouders en raadsleden met de bijbehorende ambtelijke apparaten niet competent zijn of het 'gewoon niet snappen'. En dat is pertinent niet het geval! Volgens mij is het nog steeds zo dat de Minister en de Kamer met hun verregaande interpretatie van de Europese Richtlijn zelf (!) de huidige situatie veroorzaakt hebben en - en dat heeft Samsom in ieder geval wel duidelijk begrepen - de Tweede Kamer niet over de verkoop gaat.

Nog is er niets verkocht. Vooropgesteld dat we in de komende weken en maanden nog een flink aantal antwoorden en toezeggingen op het gebied van werkgelegenheid, duurzaamheid en investeringsplannen krijgen, kan er pas verkocht worden als in de zomer de Kamer de Splitsingswet definitief besluit. Ik vind dat het voor de ondernemersgeest en visie van Essentdirectie spreekt, dat zij zich daar zo snel als mogelijk op wil voorbereiden, om meteen na de zomer dit concurrentievoordeel ('first user-voordeel') te benutten.

Wie ons uitgebreide fractiestandpunt wil weten, kan terecht op de website van de gewestelijke PvdA-website. Daar staat ook meer geschreven over wat we met de opbrengst van de verkoop zouden willen gaan doen. Daarbij staat voor mij een ding voorop: de hoofdsom wordt veilig weggezet en alleen de renteopbrengst wordt in de provinciale begroting verwerkt. Op die manier garanderen we dat ook toekomstige generaties kunnen blijven profiteren. Voor het fractiestandpunt op de gewestelijke website, klik hier.

donderdag 25 december 2008

Subsidie maatschappelijke organisaties: oplossing gevonden

Een stevig debat in de commissievergadering heeft ertoe geleid dat de door de provincie erkende maatschappelijke organisaties alsnog voor 2009 de subsidie krijgen die ze hadden aangevraagd. Eerder had de provincie de bedragen verlaagd om zodoende meer organisaties subsidie te kunnen geven. Wie subsidie wilde hebben, moest een gedetailleerd jaarplan opstellen met daarin een overzicht van alle geplande activiteiten en bijbehorende kosten. Sommige hadden hier zeer veel werk van gemaakt en andere minder. In een aantal gevallen bleek dat de prioriteiten die de provincie had gesteld voor het jaarplan, niet overeen kwamen met de doelstellingen en activiteiten die de organisaties zelf hadden bedacht. Dat leidde tot verwarring en uiteindelijk ook tot een lagere subsidiescore.
In het debat waren alle politieke partijen het erover eens dat de relatief snelle invoering van het nieuwe subsidiestelsel er mogelijk toe heeft geleid dat organisaties te weinig tijd hadden om zich op de nieuwe situatie voor te bereiden. Om die reden werd gedeputeerde Wolfs via een gezamenlijke motie opgedragen om 2009 tot overgangsjaar te verklaren. Concreet heeft dit de volgende consequenties:
  • maatschappelijke organisaties die in 2008 als erkende organisatie subsidie hebben gekregen, ontvangen in 2009 het gelijke bedrag inclusief indexering met een maximum van het voor 2009 aangevraagde bedrag;
  • de provinciale commissie voor het Sociale Domein gaat via een werkconferentie met de maatschappelijke organisaties praten over het omzetten van het kader in werkbare subsidieregels;
  • voor 1 juni 2009 vindt in Provinciale Staten een evaluatie plaats van de uitwerking van het kader subsidieregels;
  • de maatschappelijke organisaties krijgen in de nieuwe procedure een ruimere termijn voor
    indiening, waarbij gelegenheid is om vooraf eventuele vragen of ideeen met de Provincie Limburg te bespreken (was voorheen niet zo).
Het is nu aan de gedeputeerde Wolfs om te bezien hoeveel geld deze motie (extra) gaat kosten. Wat mij betreft komt het geld niet (alleen) uit het vastgestelde budget van Wolfs, want dan zou de motie mogelijk ten koste gaan van andere belangrijke prioriteiten zoals de jeugdzorg, het sport- of het cultuurbeleid. Dat is dus niet de bedoeling! Bovendien zou het ook niet fair zijn, want procedureel en juridisch gezien heeft de gedeputeerde geen fouten gemaakt. Het is Provinciale Staten die afgelopen juni de regels heeft vastgesteld en Wolfs heeft gewoon uitgevoerd zoals de meerderheid van de Statenleden dat wilde. Het College van GS moet nu gezamenlijk een financiele oplossing voor de financiering van de maatschappelijke organisaties vinden.

dinsdag 23 december 2008

PS even in zwaar weer: subsidies voor maatschappelijke organisaties

Provinciale Staten zitten vandaag even in zwaar weer. Reden: afgelopen vrijdag zijn de subsidiebedragen gepubliceerd die erkende maatschappelijke organisaties (denk aan: ANBO, Jong Nederland, KBO en vele andere) voor het jaar 2009 zullen krijgen. Voor een aantal organisaties draaiden die uit op een flinke teleurstelling.

Er was de afgelopen maanden veel te doen omtrent die erkenningen. Voor het eerst sinds jaren zou een nieuwe systematiek worden gebruikt voor de toekenning van die erkenningen voor maximaal vier jaar. De systematiek was bedacht door gedeputeerde Odile Wolfs en kreeg afgelopen juni de brede goedkeuring van Provinciale Staten.
Tot dit jaar kregen enkele gevestigde organisaties ieder jaar een vaste subsidie voor het (overigens doorgaanse uitstekende) werk dat ze deden. Hoewel de organisaties vooral draaien op vrijwilligers, hebben de meeste ook een (gedeeltelijke) beroepskracht nodig en zijn er ook bijkomende kosten zoals huisvesting, activiteiten etc.
De keerzijde van de bestaande situatie was echter dat een groeiend aantal maatschappelijke organisaties het zonder provinciaal geld moest zien te doen. Los hiervan was er groeiende kritiek op het feit dat de basis voor toekenning van subsidies tamelijk onduidelijk was. De meeste organisaties werken/werkten zonder duidelijk jaarplan en vaak ook zonder objectief meetbare criteria en/of meetpunten. Nu is dat in deze sector ook niet makkelijk. Vandaag sprak ik met het Centrum voor Levensbeschouwelijk Jeugd- en Jongerenwerk, een organisatie die al vele jaren actief is. Ik begrijp het helemaal als zij zeggen dat het niet erg zinvol is om relevantie van de organisatie voornamelijk te meten aan het aantal jongeren waarmee de organisatie contact gehad heeft. Alleen de kwaliteit van dat contact zegt iets over de relevantie. Aan de andere kant is het ook zo dat die subsidies bestaan uit belastinggeld en ergens moeten toch ook nut/noodzaak en doelmatigheid/effectiviteit kunnen worden vastgesteld. Bij gebrek aan beter, kan dat niet zonder een duidelijk jaarplan met (deels) gekwantificeerde doelstellingen.

De maatschappelijke organisaties die ik de afgelopen weken en maanden sprak, hadden grote kritiek op het verplicht indienen van een jaarplan. De meeste vonden de vragen te gedetailleerd en niet toepasbaar op vrijwilligersorganisaties. Men had ook grote moeite met de interpretatie van bepaalde vragen. Daarnaast stelde men dat er gewoonweg geen capaciteit was om de gestelde vragen goed te beantwoorden. Ik kan mij daar wel iets bij voorstellen. Ik heb de vragencatalogus gelezen en het vergt wel even denk- en schrijfwerk om die klus te klaren. Ik ben het er echter niet mee eens dat het "niet te doen" was. Dat blijkt ook als je ziet dat een aantal nieuwkomers in staat is om uitstekende jaarplannen in te dienen. Wie goed scoorde, kon een erkenning als maatschappelijke organisatie krijgen voor vier jaar. De organisaties met plannen die nog aanvullend werk behoeven, hebben een voorlopige erkenning gekregen voor twee jaar. Sommige hebben geen erkenning gekregen en maken de komende jaren dus ook geen kans op subsidiegeld.

De maatschappelijke organisaties maakten zich in oktober en november erg bezorgd dat het besluit over de erkenning veel te laat bekend gemaakt zou worden. Op die manier kon men geen eigen begroting voor het nieuwe jaar opstellen. Dat betekent concreet dat niet duidelijk was of bepaalde beroepskrachten wel of niet in dienst konden blijven. Als PvdA hebben we dit probleem uitvoerig met de gedeputeerde besproken. Het gevolg was dat iedereen begin december werd geinformeerd of hij de erkenning binnen had of niet. Tot daaraan toe geen probleem.
Echter, na de erkenning ging blijkbaar een aantal maatschappelijke organisaties er 'zonder meer' vanuit dat het toegekende bedrag ook (zeer) in de buurt zou komen van de bij het jaarplan ingediende begroting. Dat was dus niet zo. De korting op het gevraagde bedrag ligt voor sommige organisaties wel op 40% of nog meer. Los van wie er meer/minder korting heeft gekregen is de korting op zich natuurlijk wel te verklaren: er worden in 2009 immers meer en andere organisaties financieel ondersteund en de beschikbare middelen zijn niet evenredig toegenomen.
Het gevolg is nu dat een aantal organisaties erg boos is op gedeputeerde Wolfs. Vanvond wordt een extra commissievergadering gehouden in Roermond met als doel om het proces en de verdeling opnieuw te bekijken en te controleren op eventuele fouten. Mogelijk dat er een overgangsjaar zal worden ingebouwd, waardoor een aantal organisaties toch nog in de gelegenheid komen om inmiddels gemaakte plannen en afspraken voor 2009 uit te voeren en dan voor de jaren erna noodzakelijke aanpassingen te maken. Hoewel ik de indruk heb dat het proces op zich correct gelopen is, zijn er volgens mij wel duidelijke verbeterpunten voor de sunsidietoekenning aan te wijzen:
  1. bij begin van het ingaan van het volgende 'aanbestedingstraject' moet er (opnieuw) een openbare informatiedag komen, waarin de provincie deze keer echter precies (per item in de vragenlijst) uitlegt hoe zij iedere vraag (en dus ook het antwoord) zal interpreteren. Op die manier kan er geen verwarring meer ontstaan over begrippen als 'bonding' en 'bridging'.
  2. er moet een aanvullend kwalitatief criterium komen voor de niet-cijfermatig meetbare resultaten van projecten die door de maatschappelijke organisaties worden ingediend.
  3. een aantal organisaties heeft mogelijk praktische hulp nodig bij het interpreteren en invullen van de jaarplannen.